Logo Utrecht University

Coloring Book – testing language comprehension

Veel gestelde vragen

Veel gestelde vragen

Veel gestelde inhoudelijke vragen

Hoe is Kleurenschat anders dan andere woordenschat testen en instrumenten?

Vrijwel alle woordenschat instrumenten zijn gebaseerd op het idee van plaatjes kiezen. Kleurenschat is gebaseerd op een andere methode – de Coloring Book methode waarin kinderen de gewenste item moeten inkleuren i.p.v. aanwijzen. Deze methode is natuurlijker en minder verwarrend voor kinderen. De items worden gepresenteerd in hun natuurlijke context en niet als losse objecten. Met Kleurenschat is het ook veel moeilijker om te gokken.

Waarom zijn er 39 items in elke versie?
Samen met de oefenitems zijn er in elke versie 45 opgaves. Volgens onze pilot-onderzoeken was dit de optimale lengte betreft de verhouding tussen aantal items en het concentratievermogen van het kind.

Hoe zijn de woorden gekozen, en hoe is het moeilijkheidsniveau bepaald?

De woordkeuze en moeilijkheidsniveau zijn gebaseerd op de BAK lijst en op de verwervingsleeftijd inschattingen lijst van Brysbeart et-al 2014. Later worden de moeilijkheidsniveau-waarden aangepast n.a.v. de echte prestaties van kinderen met Kleurenschat.

Hoe wordt het bepaald welk item in welke tekening wordt gepresenteerd?

Elke kleurplaat draait zo veel mogelijk rond één thema en daarin worden de bijbehorende items gepresenteerd. De objecten worden altijd in een natuurlijke context gepresenteerd. Sommige woorden komen twee keer voor in twee verschillende thema’s (bijvoorbeeld ‘emmer’ komt voor in het ‘tuin’ thema en in het ‘strand’ thema. Zo kunnen we zien of een woord beter herkend wordt in een bepalde context.

Hoe kunnen we zeker weten dat de kinderen de namen van kleuren al kennen?

Onze pilot-onderzoeken hebben laten zien dat Nederlandstalige kleuters de namen van de gebruikte kleuren al goed beheersen. Bovendien, als een kind de verkeerde kleur gebruikt, maar het juiste object kiest, telt Kleurenschat dit als een correct antwoord – het gaat hier om het object en niet om de kleur. Toch helpt Kleurenschat de kinderen met het kiezen van de juiste kleur – de randkleur van elke tekening geeft aan welke kleur gebruikt moet worden, en de gewenste kleur is voor het kind al geselecteerd.

Wat als het kind kleurblind is?

Eigenlijk maakt het niet heel erg uit (zie vorige vraag), maar voor de zekerheid wordt het in het profiel van het kind genoteerd of hij/zij kleurblind is, en als dat het geval is, wordt het geadviseerd om het instrument onder de begeleiding van een leerkracht te gebruiken.

Waarom mag het kind niet zelf de kleur kiezen voor elk object?

Het zou inderdaad een optie zijn om zinnen te gebruiken als “kleur de tafel”, of “nu mag je de tafel kleuren”, i.p.v. “de tafel is groen”. Na lange discussies en pilot-onderzoeken is het besloten om neutrale zinnen met een tegenwoordige-tijd constructie en een specifieke kleur (“de tafel is groen”) te gebruiken. De hoofdargumenten zijn als volgt:
• Een van de sterke punten van Kleurenschat is dat het als een spel voelt voor kinderen en niet als een test. Het voelt daarom natuurlijker om een zin te horen die een situatie beschrijft i.p.v. een instructie geeft die gevolgd moet worden.
• Het klinkt een beetje repetitief en saai als het kind steeds hoort – kleur de tafel, kleur de stoel, kleur de plafond, of ‘nu mag je dit kleuren’, ‘nu mag je dat kleuren’, enz.
• Kinderen kunnen lang twijfelen over welke kleur te gebruiken, hun keuze vaak veranderen, en ook blijven voelen dat ze misschien toch niet de ‘juiste’ kleur hebben gekozen
• Bij het testen van werkwoorden zouden zinnen als “kleur het poppetje dat aan het drinken is” gebruikt kunnen worden. Zulke zinnen (die ‘relatieve zinnen’ genoemd worden) zijn echter moeilijker voor jonge kinderen dan simpele hoofdzinnen als “het blauwe poppetje is aan het drinken”

Waarom worden er in Kleurenschat ook zeldzame woorden als ‘bakkebaard’ en ‘fauteuil’ gebruikt? Is het echt belangrijk dat kinderen deze woorden weten?

Een goed observatie-instrument moet een brede variatie aan moeilijkheidswaarden bevatten. Er moeten (heel) makkelijke woorden in zitten, zodat ook kinderen met een kleine woordenschat kunnen laten zien wat ze wél kunnen, maar ook moeilijke en zeldzame woorden, zodat kinderen die zeer sterk zijn uitgehaald kunnen worden. Het feit dat een bepaald woord in Kleurenschat voorkomt, betekent niet per se dat elk kind dit woord ‘hoort te weten’, maar het kennen van deze woorden geeft een goede indicatie van een brede woordenschat.

Waarom worden niet altijd natuurlijke kleuren gebruikt (water – blauw, wolken – wit, giraf – geel, enz.)?
Als eerst, laat ons onderzoek zien dat kinderen dat niet belangrijk vinden. Ze vinden het juist leuker dat het net als bij een echte kleurplaat ook anders mag. Ten tweede, is het belangrijk dat de kinderen begrijpen dat elk object elke kleur mag hebben – anders kunnen ze items zoeken die ze denken dat ze bij de kleur passen. Juist deze items (als water, tijger, wolken, enz.) geven aan dat het maar een kleurplaatspelletje is.

Waarom worden werkwoorden met een “aan het”- constructie gepresenteerd (“het blauwe poppetje is aan het rennen”) en niet met een simpelere zin met een vervoegd werkwoord (“Het blauwe poppetje rent”)?

Hoewel “het kind rent” een simpelere zin lijkt te zijn dan “het kind is aan het rennen” is het eigenlijk niet zo. In het Nederlands beginnen kinderen met hele werkwoord (“rennen”) terwijl het vervoegde werkwoord (“rent”) past op latere leeftijd wordt geleerd. Onderzoek laat zien dat de ‘aan het”-constructies daarom simpeler zijn en beter gebruikt kunnen worden met jonge kinderen.

Veel gestelde praktische vragen

Hoeveel tijd kost een spelletje met Kleurenschat per kind?

Ongeveer 10 min.

Hoe vaak observeer ik de ontwikkeling van de receptieve woordenschat van ieder kind?

Vier keer per jaar is voldoende. Maar het gemak van het instrument stelt je in staat om het zo vaak te doen als je wilt. Het kind krijgt ook telkens een andere set woorden en kleurplaten (uit een maximum van zeven) te zien, dus het wordt ook nooit saai.

Hoe noteer ik de keuzes van het kind?

De applicatie is zo gemaakt dat alle keuzes digitaal geregistreerd worden. Na afloop van de test kun je als leerkracht een gedetailleerd rapport downloaden, niet alleen met de resultaten van de laatst afgenomen test, maar ook met een analyse van de ontwikkeling van de woordenschat vanaf de eerste meting.

Is er ook een lijst woorden waarmee we kunnen oefenen?

Als kinderen met de specifieke woorden van Kleurenschat oefenen, kunnen we daarna niet meer zien hoe hun woordenschat in het algemeen zich heeft ontwikkeld. Daarom komt Kleurenschat zonder specifiek oefenmateriaal uit. Als indicatie voor bepaalde thema’s of woordcategorieën waarmee geoefend kan worden suggereren wij de BAK en de WAK lijsten, of andere advieslijsten te gebruiken.

Wat moet ik doen als het kind begint te aarzelen?

Vraag eerst of hij/zij het nog een keer wilt horen (en zo ja, druk op de audioknop). Als het kind wél goed heeft gehoord, vraag dan of hij/zij het woord misschien niet kent en verzeker hem/haar meteen dat het helemaal geen probleem is, omdat we veel meer kleurplaten hebben om mee te spelen. Het spreekt voor zich dat je het kind niet mag voorzeggen en ook niet naar het juiste object in de kleurplaat mag aanwijzen.

Wat gebeurt er als het kind een plaatje overslaat, omdat hij/zij dat woord niet kent?

Het programma registreert automatisch dit antwoord als “fout”.

Wat gebeurt er als het kind een plaatje overslaat, omdat hij/zij (of de onderzoeker zelf) te snel op de “ga door” knop heeft gedrukt?

Je kunt meteen op de terugknop drukken en kom je weer bij de voorafgaande zin. Per kleurplaat mag je maximaal éen stap teruggaan.

Wat gebeurt er als het kind het correcte item inkleurt, maar wel met de verkeerde kleur?

Het programma registreert dat een foute kleur is gebruikt, maar voor de observatie is de kleur op zich niet relevant. Het gaat om het herkennen van de betekenis van het woord, dus om het item dat het kind inkleurt. Dit wordt gerekend dus als een correct antwoord.
Ik heb gelezen dat kleuters niet meer getest mogen worden. Hoe zit het eigenlijk met dit instrument?

Dit instrument is geen test, maar een observatiemiddel. De data die in het rapport worden aangeboden geven een indicatie van de taalontwikkeling van de hele klas t.o.v. vorige metingen. Ook de individuele resultaten worden alleen met de vorige afnames van hetzelfde kind vergeleken, niet met de prestaties van andere kinderen.